Leefbaarheid is de meest onderschatte veiligheidsopgave van dit moment
We praten in Nederland graag over veiligheid in termen van zware criminaliteit. Over ondermijning, georganiseerde misdaad en geweld. Dat zijn terechte onderwerpen. Maar wie veiligheid uitsluitend definieert via zware delicten, mist wat er dagelijks gebeurt in de straten waar mensen wonen, werken en leven.
Voor de meeste Nederlanders begint veiligheid niet bij georganiseerde misdaad. Veiligheid begint bij de voordeur. In hoe schoon de straat is. In hoe mensen zich gedragen. In de vraag of regels worden gehandhaafd wanneer ze worden overtreden.
Dat noemen we leefbaarheid. En wie de cijfers zorgvuldig leest, ziet dat leefbaarheid geen zachte randvoorwaarde is, maar een fundamenteel veiligheidsvraagstuk.
Wat inwoners ervaren
De meest recente Veiligheidsmonitor van het CBS, gepubliceerd in 2024 op basis van data uit 2023, laat een ogenschijnlijk geruststellend beeld zien. Nederlanders geven hun buurt gemiddeld een 7,6. Maar achter dat gemiddelde schuilen verschillen.
17% van de inwoners vindt dat de eigen buurt het afgelopen jaar is verslechterd. Slechts 10% ziet verbetering. Dat betekent dat bijna twee keer zoveel mensen achteruitgang ervaren als vooruitgang.
In de 20 gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, waarvan de voortgang in 2025 is gerapporteerd, zijn de verschillen nog groter. Daar woont 55% van de bewoners in buurten met een zwakke of zeer zwakke leefbaarheidsscore, tegenover 11% landelijk. In diezelfde gebieden voelt één op de drie inwoners zich wel eens onveilig. Landelijk is dat ongeveer één op de zeven.
Overlast en onveiligheid blijken in de Leefbaarometer de belangrijkste negatieve factoren achter lage leefbaarheidsscores. Dat zijn geen abstracte beleidsindicatoren. Dat zijn wijken waar mensen dagelijks ervaren dat hun omgeving onder druk staat.
Wat de praktijk laat zien
Belevingsonderzoek vertelt hoe mensen hun buurt ervaren. Maar om te begrijpen wat er nodig is om die leefbaarheid daadwerkelijk overeind te houden, moeten we ook kijken naar wat er op straat gebeurt.
Binnen ons registratiesysteem, gebruikt door ongeveer 80% van de boa’s in domein 1 in Nederland, werden in 2024 bijna 3,8 miljoen interventies vastgelegd in de publieke ruimte, exclusief parkeerinspectie. In 2025 steeg dat aantal tot ruim 4 miljoen. Dat is een groei van 6,6% in één jaar tijd.
Omgerekend betekent dat meer dan 11.000 geregistreerde handelingen per dag. Het betreft geen volledige landelijke dataset, maar wel een zeer groot en representatief deel van de gemeentelijke handhaving in de openbare ruimte. Wat vooral opvalt, is niet alleen het volume, maar de aard van deze interventies. Het overgrote deel betreft geen zware incidenten, maar dagelijkse regulering van de publieke ruimte.
In 2024 en 2025 samen werden ruim 2,7 miljoen waarnemingen vastgelegd. Dat zijn constateringen waarbij nog geen boete of maatregel volgt. Denk aan een locatie waar afval zich begint op te hopen, een groep jongeren die samenkomt op een plek waar eerder overlast was, of een voertuig waarvan eerst wordt gecontroleerd of er een geldige ontheffing actief is. Een waarneming is een signaal. Het maakt zichtbaar waar patronen ontstaan en waar vroegtijdige aandacht nodig is.
Daarnaast werden ruim 600.000 waarschuwingen geregistreerd. Dat betekent dat in een groot aantal gevallen eerst wordt aangesproken en gecorrigeerd voordat er wordt gesanctioneerd. Bijna 1 miljoen registraties betroffen fietslabelacties. Dit maakt deel uit van een zorgvuldig opgebouwde bestuursrechtelijke keten waarin eerst wordt gemarkeerd, vervolgens een begunstigingstermijn wordt geboden en pas daarna wordt verwijderd. Meer dan 900.000 toegangsinspecties laten zien hoe intensief gereguleerd bepaalde gebieden inmiddels zijn. Daar komen fiscale naheffingen, combibon sancties, vergunningcontroles en bestuursrechtelijke trajecten bij.
Deze cijfers maken zichtbaar wat in het publieke debat vaak onzichtbaar blijft: leefbaarheid vraagt voortdurende aanwezigheid. Het vraagt kijken, signaleren, aanspreken, corrigeren en waar nodig handhaven.
Wanneer bijna 4 miljoen interventies per jaar nodig zijn om de publieke ruimte stabiel te houden bij slechts een deel van de landelijke handhaving, dan hebben we het niet over bijzaak. Dan hebben we het over de dagelijkse infrastructuur van onze rechtsorde.
Waarom leefbaarheid wordt onderschat
En toch wordt leefbaarheid in het veiligheidsdebat vaak gezien als het ‘lage segment’ van veiligheid. Als normhandhaving. Als iets dat vooral gaat over foutparkeren of afval naast de container. Dat beeld doet geen recht aan de schaal en betekenis ervan.
De landelijke cijfers laten zien dat waar leefbaarheid zwak is, veiligheidsbeleving onder druk staat. De praktijkdata laat zien hoeveel dagelijkse inzet nodig is om die leefbaarheid te stabiliseren.
Leefbaarheid is het fundament waarop veiligheidsbeleving rust. Wanneer rommel blijft liggen, wanneer overtredingen niet worden gecorrigeerd of wanneer overlast normaliseert, ontstaat erosie. Niet plotseling, maar geleidelijk. Normen vervagen. Vertrouwen neemt af. Het gevoel van controle daalt.
Wie leefbaarheid onderschat, onderschat die sluipende dynamiek.
De echte veiligheidsvraag
Misschien is de belangrijkste conclusie daarom: leefbaarheid is de meest onderschatte veiligheidsopgave van dit moment.
Niet omdat het de krantenkoppen haalt. Maar omdat het dagelijks gebeurt. Structureel. En fundamenteel.
Miljoenen kleine interventies vormen samen een stille infrastructuur van normbevestiging. Zichtbare handhaving, proportionele correctie en informatiegestuurde sturing zorgen ervoor dat kleine verstoringen niet uitgroeien tot structurele achteruitgang.
Veiligheid begint niet bij de uitzondering, maar bij het dagelijkse.
En wie veiligheid serieus neemt, kan zich niet veroorloven om leefbaarheid te behandelen als uitvoeringsdetail.
Het is de fundamentlaag van veiligheid.